Zoeken

Het Zuid-Limburgse Mesch, het zuidelijkst gelegen kerkdorp in ons land, werd op 12 september 1944 als eerste plaats in Nederland bevrijd. Vanuit Mesch verdrijven hoop en opluchting vier jaar angst en onderdrukking. In de maanden daarna werden grote delen van Zuid-Nederland bevrijd, maar het zou nog tot mei 1945 duren voor de rest van ons land in handen was van de bevrijders.

Ter herdenking van 75 jaar vrijheid volgt de NOS een jaar lang het nieuws van de bevrijding, alsof het nu gebeurd is. Die historische beelden maken nog altijd een diepe indruk op ons mensen. Geen land in West-Europa, Duitsland uitgezonderd, kwam zo beschadigd uit de Tweede Wereldoorlog als Nederland. Maar in korte tijd werd door samen de schouders eronder te zetten op de puinhopen van WO2 een nieuw, modern land gebouwd.

Een gevleugeld en in de communicatiewereld veel geciteerd spreekwoord luidt: ‘Een beeld zegt meer dan duizend woorden.’ Een beeld maakt nu eenmaal een sterkere indruk op de kijker dan een uitgebreide tekst.

Ook in de bijbel, bepaald geen geschiedenisboek dus, wordt veel in beelden gesproken. Zo wordt de kerk bijvoorbeeld ‘een lichaam met vele leden’ genoemd (1 Korinthe 12). En al die leden hebben verschillende gaven. ‘Gebruik die om elkaar te dienen’, zo lezen we in 1 Petrus 4 vers 10. Dat kan middels spreken, maar ook door de handen uit de mouwen te steken, lezen we vervolgens in vers 11. Beide gaven zullen we in de tijd die voor ons ligt hard nodig hebben. Je hebt altijd wel mensen, die ergens behulpzaam mee willen zijn. Dat geldt voor de wereld om ons heen (omzien naar elkaar als diaconale taak), maar ook in onze kerkelijke gemeente (als instituut, en als plaats van samenkomst om te dienen en geïnspireerd te worden). Petrus zag dat ook, sprekend over de gaven. Het zijn de gaven die God gegeven heeft, daar begint het bij. Ze zijn niet van onszelf, we hebben ze van God ontvangen. We zijn een instrument in Gods hand.

Bij de aanvang van dit kerkelijk jaar werd al duidelijk dat voor de (weder)opbouw van onze gemeente handen uit de mouwen gestoken moeten worden en voor het verbinden van de verscheidenheid zijn mensen met de gave van het spreken nodig. Hoe sterker de kracht van betrokkenheid bij het gemeenschappelijke doel, des te meer spanning van verscheidenheid het samenwerkingsverband kan hebben. Op de drempel van een nieuw jaar zal er vanuit de Kerkenraad wellicht een beroep op u worden gedaan om komende vacatures te vervullen.schouders Om u een indruk te geven: in 2020 zijn, op een na, alle pastorale ouderlingen aftredend. De praktijk wijst uit dat de zoektocht naar mogelijke opvolg(st)ers veel tijd en energie vergt. Maar wellicht zegt u, dit alles gelezen hebbende: laat ik zelf initiatief tonen en mij voor een ambt of taak aanbieden. Samen de schouders eronder zetten in woord en daad.

Ebco Vriend

Luisterbuis. Luisterbuis? Wat in hemelsnaam is of betekent luisterbuis? Nou, dat zal ik u wel eens snel uitleggen. Ik kocht laatst via internet een wasborstel met lange steel die op een waterslang aangesloten kan worden. Die lange steel van de borstel werd apart opgestuurd in een iets langere kartonnen koker. Eenmaal uitgepakt had ik dus een lange, holle kartonnen koker of buis. Uit mijn jeugd en van mijn toenmalige natuurkunde lessen herinnerde ik me, dat je met zo’n buis een leuk experiment kan uitvoeren. Als je namelijk aan de ene kant in de buis iets echt heel zachtjes fluistert, kan een ander met z’n oor tegen het andere eind van de buis, het gefluisterde heel goed en duidelijk horen. Het gefluisterde woord wordt namelijk in de buis aanzienlijk versterkt (door kaatsende geluidsgolven of iets dergelijks). Vandaar mijn benaming luisterbuis. Met m’n familie maar natuurlijk vooral met m’n kleinkinderen, konden we hier even leuk mee spelen. Tijdens dat spel schoot het door m’n hoofd dat we feitelijk allemaal in ons hoofd/in ons hart zo’n luisterbuis hebben.

Hebben we allemaal niet eens een gevoel of aanvechting of krijgen we een idee of zo iets als een boodschap die, eenmaal geregistreerd of ontvangen dan snel groeit en moeilijk te negeren valt?

Vanuit ons hart, ons geweten, onze ziel(?) of waar dan ook vandaan, ontvangen we zachte fluisteringen die ons wakker schudden en ons soms tot daden doen komen. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik, is beschreven in I Samuel 3, waarin beschreven staat hoe de jonge Samuel tot 3 maal toe wordt wakker geroepen en eerst na aanwijzingen van de oude Eli, begrijpt dat de Heer hem roept en hem best vervelende instructies geeft (vooral voor diezelfde Eli).

Ook wij, waar vandaan dan ook en hoe ook overgebracht of bij ons binnen gebracht, worden zo telkenmale aangesproken en tot iets aangespoord. Dat hoor je soms niet of het valt vaak niet mee of de boodschap bevalt ons niet zo (of helemaal niet). Hoe iemand ook gelooft, hetzij van Bijbelkaft tot Bijbelkaft of de inhoud wat zakelijker/praktischer of op een geheel andere manier benadert, het gaat toch altijd om de boodschap die je in dat boek wordt aangereikt en die je wordt ingefluisterd.

Dit is mijn laatste voorzitterlijke overpeinzing, alhoewel ik ook als niet-voorzitter u wellicht met zo’n stukje zal verrassen. Ik heb in al die stukjes vaak verwezen naar heel gewone dingen uit een alledaags bestaan, die mij toch tot overdenking en dan tot schrijven brachten (net zoals hierboven de luisterbuis). Ik wens u allen en ook mezelf toe, dat we nog vaak worden aangesproken, dat ons iets wordt ingefluisterd en dat we onze luisterbuis zullen gebruiken. Iets van dat daarvoor openstaan, van die bereidwilligheid maar ook van het daaruit voortkomende perspectief, vind ik prachtig terugkomen in het navolgende gedicht van Ds. Alfred Bronswijk uit de bundel ‘Rakelings nabij’, getiteld ‘De smaak van honing, geur van wijn’:

De dromers gaan de mensheid voor.
Het morgenlicht breekt bij hen door
en wat zij zien zal toekomst zijn:
de smaak van honing, geur van wijn.

De zangers zullen een nieuw lied
inzetten tegen het verdriet,
want zij bezingen wat zal zijn:
de smaak van honing, geur van wijn.

De dichters leven van het woord
wat eens de schepping heeft gehoord,
dat nu al is wat straks zal zijn:
de smaak van honing, geur van wijn.

Zo raakt uw Geest ons mensen aan
en wekt ons om op weg te gaan,
naar wat uw toekomst eens zal zijn:
de smaak van honing, geur van wijn.

Daar valt verder niets aan toe te voegen.

A Dieu

Nico A.Hanemaayer

Enkele dagen geleden, denkend over wat ik weer met u zou willen/kunnen delen, kwam bij mij het idee op om wat te mediteren over Koning Hizkia, koning van het koninkrijk Juda van 727 – 698 v.Chr. Hizkia?? Ja, Hizkia, en wel omdat die koning, waarvan gezegd wordt dat “hij deed wat recht is in de ogen des Heren, geheel zoals zijn vader David gedaan had“ toch niet altijd even goed/even vroom was, daarvoor straf kreeg aangezegd, namelijk de dood, waarop hij echter, diep berouw tonende, toch nog 15 jaar te leven kreeg, met als teken daarvan, volgens de aanzegger Jesaja dat de zonneschaduw 10 graden zou teruggaan. Over dat leven van die koning, zijn aangezegde ziekte en zijn tijdelijke genezing zou je van alles kunnen zeggen, maar toen ik daaraan wilde beginnen was het, het allermooiste Hollandse zomerweer met helder blauwe luchten, voorbij zeilende witte wolken en een aangename temperatuur, reden waarom ik Hizkia vooralsnog even opborg en me (weer) richtte op de bij ons allen bekende Psalm 19.

Boven die psalm staat “Gods majesteit in de schepping en in de wet“ en we zongen vroeger uit volle borst “Het ruime hemelrond vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid”, terwijl we tegenwoordig (vers 2) zingen: “God heeft de tent gemaakt, waarin de zon ontwaakt fier als een bruidegom“ en in beide berijmingen wordt de schoonheid van Gods schepping, waar wij dus ook zo van genieten, uitgebreid geprezen. Die schoonheid, die pracht, vraagt ook om een tegenprestatie, namelijk een goed rentmeesterschap en dat is een facet waar we haast dagelijks mee geconfronteerd worden, wat keer op keer een beroep op ons blijft doen. In het 2e couplet van deze psalm wordt na de lofzang op de schepping, op de natuur, ook een oproep gedaan namelijk, de vraag om inzicht en begrip dat nog mooier dan de natuur Gods wet, de 10 geboden oftewel de regels van dankbaarheid zijn.

Dat klinkt wat tegenstrijdig, maar die regels van dankbaarheid worden in de laatste berijming geprezen als:

Des Heren woord is goed, wie zijn bevelen doet,
zijn hart wordt opgetogen.
Recht is het woord van God en louter zijn gebod,
een licht voor onze ogen.

en vroeger zongen we aan het eind van het laatste couplet:

O Heer, die mij verblijdt,
mijn rots en losser zijt,
dan heb ik niets te vrezen!

Zonder enige twijfel een verwijzing naar de eeuwige trouw van God, waarover we telkens weer haast overal in de Psalmen kunnen lezen.

Op de laatste dienst met verzoeknummers zongen we weer “Groot is uw trouw, o Heer aan mij betoond” en alhoewel dat prachtige lied pas in 1923 is gemaakt, wordt daarin dezelfde duizenden jaren oude belofte weer herhaald. Feitelijk is er niets nieuws onder de zon! Er is geen schaduw van omkeer bij Hem. Hij blijft immer dezelfde, die Hij steeds waart, dat bewijst Hij ook nu.

In mijn vorige bijdrage meldde ik u dat mijn Oma haar echtgenoot op zondagmiddag naar de Opera vergezelde en er zeker van was, daarmee zwaar te zondigen en dus al luisterend naar de muziek, om vergeving bad. Dat verhaal is inmiddels ietwat genuanceerd door mijn zusters, die mij wisten te vertellen dat Oma met Opa meeging naar de Opera omdat ze hem niet alleen wilde laten gaan naar zulke gelegenheden met alle dames opgesmukt in hun mooiste japonnen. Het leek haar een stuk beter als zij daarbij was. Zo blijkt maar weer eens, dat je ten allen tijde ook je gezond verstand moet blijven gebruiken.
De volgens de bijbelschrijvers godsvruchtige koning Hizkia maakte diverse malen, meesttijds om zijn koninkrijk te redden of ook wel uit hoogmoed, fouten die hem zwaar werden aangerekend maar hem toch telkens weer vergeven werden. Mijn Oma nam op praktische gronden beslissingen waarvan ze zeker was dat die fout waren.
Het lijkt (of blijkt?) derhalve dat, om iets goeds in het leven vast te houden/te behouden/niet te verliezen, we soms over onze eigen schaduw/ons eigen geloof/geloofsidee heen moeten stappen en mogen hopen en bidden dat we de juiste keus maken!

Nico A. Hanemaayer

 

In mijn laatste overdenking/overpeinzing beschreef ik in het kort iets over mijn grootouders van moeders kant.
Om het evenwicht niet te verliezen, wil ik u daarom nu wat vertellen over mijn grootouders van vaders kant. Over dus mijn Opa (Nico A.) Hanemaayer - u ziet ik ben nog vernoemd, de huidige generatie weet niet meer wat dat betekent – en diens echtgenote. Die twee mensen waren niet alleen uit verschillende milieus afkomstig (wel natuurlijk beide Gereformeerd) maar hadden een duidelijk verschillend geloofsleven. Zo was mijn Opa een klassieke muziek liefhebber en bezocht graag zo nu en dan een operavoorstelling (ik weet overigens niet waar in het vooroorlogse Rotterdam zulke voorstellingen gegeven konden worden). Mijn Oma vergezelde hem naar die voorstellingen, maar was er vast van overtuigd dat ze daarmee zwaar zondigde. Tijdens de voostelling bad zij dan ook indringend of haar aanwezigheid bij dat gebeuren vergeven mocht worden. Zij had een vast maar eenvoudig geloof. Zo vertelde zij mij als klein ventje, dat als ze haar bril kwijt was en het zoeken daarnaar geen succes opleverde, dat ze in zichzelf bad: ”Ach Here, help mij toch die bril te vinden” en dat dit vaak hielp. Overigens gaf zij ook de volkswijsheid door dat “wat het huis neemt, geeft het ook weer“, dus naast de verwachte gebedsverhoring was er ook nog een praktische kant. Mijn Opa en Oma waren dus heel verschillend en hadden een heel verschillend geloofsleven maar stonden als voorbeeld voor de wetenschap dat ze EEN in verscheidenheid waren, net zoals we allemaal weten, onze eigen gemeente, de gemeenten om ons heen en in feite de gehele kerk.

In die kerk is ruimte voor verschillende stromingen en geloofsbelevingen. Er is sprake van principiële pluraliteit. Elk voor zich hebben we een stukje, samen hebben we heel veel.

Wat maakt ons dan lid van onze gemeente of die van de Dorpskerk, van onze PKN-kerk? Een oude anekdote geeft daar een antwoord op:

“Wat doen die christenen toch?” vroeg keizer Trajanus aan Plinius, een romeins bewindsman in het begin van de tweede eeuw? Trajanus wilde bewijsmateriaal om die groepjes christenen te kunnen oppakken. Onderzoek dat en breng mij verslag. En Plinius rapporteerde: ”zij verplichten zich met een eed om geen wandaden tegen medemensen te begaan, zij zingen in beurtzang een lied voor Christus alsof hij God is en zij onderhouden de gemeenschap door samen te eten”.

Dat antwoord van Plinius sluit wel heel mooi aan bij de praktijk van alle dag. Samen eten bindt. Samen eten in vriendschap bindt nog meer. Het pas gehouden dauwtrap ontbijt op Hemelvaartsdag was daarvan wel het sprekende bewijs. Na dat ontbijt hadden we (op Hemelvaartsdag!!!) een nagenoeg volle kerk!

Het is daarom dat ik boven dit stukje de titel en terugkerende eerste regel van de oude hymne “Ubi caritas et amor, Deus ibi est” heb gezet, namelijk “waar vriendschap en liefde heerst, daar is God”.

Mogen we in die geest nog veel met elkaar doen!!

Nico A. Hanemaayer

Ik ben, zoals ik al diverse malen heb door laten schemeren afkomstig uit een (synodaal) Gereformeerd gezin waarvan de beide ouders ook uit Rotterdamse gereformeerde families kwamen, die kerkten in Delftshaven in de zeer ruime, mooie kerk in de Tidemanstraat, pas in 1923 gebouwd met o.a. een pracht van een groot orgel – maar inmiddels al weer jaren geleden afgebroken. Zo gaan die dingen.

De ouders van mijn moeder (met de meisjesnaam Slot) waren dus ook gereformeerd en zijn – ik weet het niet precies en heb ook geen tijd om dat uit te zoeken – meest waarschijnlijk rond 1910 in het huwelijk getreden. Dat is dus 18 jaar na het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Toen zijn immers in 1892 onder leiding van de roemruchte A(braham) Kuyper de kerken uit de Afscheiding van 1834 en de kerken in 1886 bij de Doleantie uitgetreden, verenigd tot de Gereformeerde Kerken. Die kerken, al in 1834 uitgetreden maar niet toegetreden tot de nieuwe combinatie, bleven voortbestaan onder de naam Christelijk Gereformeerde Kerken.

Waarom beschrijf ik nog eens deze gebeurtenissen. Wel, alhoewel er onder Kuyper een samensmelting plaats vond, is de gereformeerde gezindte toch vooral bekend om haar neiging tot splitsen en weer splitsen enz. en volgens de familie overlevering blijkt iets van die splitsings-neiging respectievelijk het beter te weten dan de ander uit die grootouders van mij van moederskant die namelijk elkaar bij woordenwisseling of dergelijke elkaar verweten dat ze stamden uit de A-kerken dan wel uit de B-kerken, waarbij met de ene categorie de ex-Afscheidingskerken werden bedoeld en met de andere de ex-Doleantie kerken (of andersom). Ongetwijfeld speelde op de achtergrond daarbij mee, dat de ene de ander niet zuiver genoeg op de graat vond. Ik weet niet wie van hen bij welke groep behoorde, maar dat doet er ook niet (meer) toe.
Ik heb, volgens mijn echtgenote, de vervelende gewoonte om niets of in ieder geval nauwelijks iets weg te (kunnen) gooien, maar die gewoonte heeft er wel toe geleid dat ik van die opa van moeders kant diverse oude, vrome en stichtelijke geschriftjes, boekjes e.d. heb kunnen bewaren. In een van mijn eerdere overdenkingen maakte ik zo dan ook al gewag van “Eens Christen reize naar de Eeuwigheid “ van John Bunyan.

Onder de andere geschriften/boekjes (alhoewel het vaak gaat om slechts wat losse bladzijden) vond ik ook een dun geschriftje met gebeden voor allerlei momenten (voor jeugdigen?) en ik wil 3 daarvan u niet onthouden.

Allereerst een morgengebed:

Weder doet gij, liefderijke Hemelvader! mij gezond en
versterkt ontwaken. Ik dank U voor Uwe goedheid, laat mij die toch nooit vergeten: maar moge mijn gedrag altijd zoodanig wezen, dat mijne Ouders en Onderwijzers over mij tevreden zijn. Amen

Een gebed na het eten:

Gij Vader! Zoo oneindig goed,
Gij hebt mij weer verkwikt, gevoed,
Uw naam zij luid geprezen!
O blijf zo liefdrijk jegens mij,
En geef, dat ik U dankbaar zij,
En altijd braaf moog wezen! Amen

Tenslotte nog een gebed bij het inkomen in de kerk/een consistoriegebed?:

Heilige God! In dit bedehuis in Uwen naam vergaderd,
smeeken wij U om Uwen zegen.
Verleen ons de noodige aandacht, als wij van U en
Uwen lieven Zoon hooren spreken; laat ons bij gebed
en gezang met eerbied vervuld zijn, en laat de indrukken,
welke hier op ons hart gemaakt worden, levendig en
duurzaam zijn. Amen

Frappant is dat, als je de woordkeuze en het woordgebruik vergeet, deze gebeden zo weer zouden kunnen gebruiken, ondanks dat we vaak tegen elkaar zeggen: Ja, ja, maar zo geloven wij niet meer of meer van soortgelijke uitspraken.

Waarom dit verhaal? Om nog eens duidelijk te maken dat er niets nieuws onder de zon is en omdat we niet moeten/mogen (Prediker 7: 10!) denken dat vroeger alles beter was. Elke tijd heeft zijn eigen kenmerken, ook op geloofsgebied en dit alles is denk ik heel belangrijk om in het oog te houden als we met vallen en opstaan en met kleine stapjes, werken aan niet alleen een goede sfeer in onze eigen kerk/gemeente maar ook, zelfs wellicht nog meer, aan de samenwerking met onze geloofsgenoten in de, nu vanuit de Welkomkerk nauwelijks meer zichtbare Dorpskerk (eeuwen geleden gewijd aan de apostel Johannes). Ik hoop vurig dat die nieuwe visuele barrière niet kenmerkend wordt voor die samenwerking!! In dat spoor dus verder (Filippenzen 3:16)!

Nico Hanemaayer

gevouwen handen