In deze interpastorale kerkperiode krijgen sommige gemeenteleden de gelegenheid om een overdenking in de Binding te schrijven. Deze maand is de eer aan mij. Het woord interpastoraal staat niet in de officiële woordenboeken, maar natuurlijk verwijs ik naar de domineeloze tijd tussen de voorgangers Wilschut en Kwakkel. Ook domineeloos is trouwens geen bestaand woord.

Maar nu ter zake. Mensen die mij een beetje kennen, weten dat het gezegde “Geen dag zonder Bach” mijn lijfspreuk is. Ik neem deze spreuk namelijk zeer serieus. Het is bijna onmogelijk om aan iemand uit te leggen waarom bepaalde muziek je ontroert, troost, blij maakt. Toch wil ik er iets over vertellen. In een minuut. Ik hoop enigszins begrijpelijk, ook voor mensen die vele dagen zonder Bach kennen.

Voor mij begint de weg naar Bachs eenzame hoogte in de Renaissance. Een periode waar melodieën op een schitterende manier door elkaar heen gaan lopen (polyfonie). Monteverdi, Palestrina. Deze muziek groeit en bloeit, beginnend rond 1500 tot omstreeks 1700, het jaar waarin Bach en Händel hun vijftiende verjaardag vierden. We zitten dan midden in de Barok. In die tijd komen de harmonieën tevoorschijn. Ik bedoel met harmonieën verschillende, tegelijkertijd gespeelde of gezongen noten, die samen tot klinken worden gebracht. De grote barokcomponisten weten de oude polyfonie te combineren met dit nieuwe verschijnsel.

En daar is ‘t ie dan: De grootste meester van dit fenomeen, inderdaad, Johan Sebastiaan Bach.

Ik besef dat deze uitleg heel erg kort (ook door de bocht) is, maar een langere versie zou velen van u vervelen, als dat nu al niet het geval is.

Het meest bijzondere muziekinstrument is de menselijke stem. Ook hier heb ik mijn eigen theorieën over, maar ik zal u daar niet mee lastig vallen. De menselijke stem heeft het unieke kenmerk, dat het gebruik maakt van tekst. Uiteraard maakte ook Bach in zijn vocale muziek veelvuldig gebruik van tekst. En daar wil de schoen nog al eens wringen. Want teksten uit de 18e eeuw zijn anders dan teksten anno 2016. Wollig, oubollig, zwaar, moeilijk? Het zal best zo zijn. Maar proberen we ons in de tijd en de taal van Bach te verplaatsen, dan kan het toch niet zo’n probleem zijn? Een probleem is het voor mij niet. Een raadsel wel. Al googelend neem ik als voorbeeld de eerste de beste vertaling van een willekeurig koraal van Bach:

 

Wat ben ik toch zielsgelukkig
dat mijn Schat de Alfa en de Omega is,
het begin en het einde;
Hij zal mij tot zijn eer
opnemen in het paradijs,
daarom klap ik in mijn handen.
Amen!
Amen!
Kom o schone
vreugdekroon,
blijf niet lang weg,
op U wacht ik met verlangen.

Best wel een beetje raar, deze woorden.

Maar niet vertaald, in het Duits, heb ik geen enkele moeite meer met de tekst…….. hoe komt dat nou toch?

Wie bin ich doch so herzlich froh,
daβ mein Schatz ist das A und O,
der Anfang und das Ende!
Er wird mich doch zu seinem Preis
aufnehmen in das Paradeis,
deβ klopf’ ich in die Hände!
Amen!
Amen!
Komm du schöne
Freudenkrone,
bleib’ nicht lange,
Deiner wart’ ich mit Verlangen.

Als u dit raadsel voor mij kunt ontcijferen, dan zou me dat zeer verbazen. Eén ding is zeker: het Hemelse, het Goddelijke geloofsgevoel dat Bach in zijn muziek weet te leggen, raakt mij heel diep. Het opent de deur, of zet deze op zijn minst op een flinke kier naar Hogere Sferen, naar Schoonheid, naar Heelheid, naar Volmaaktheid, naar ………………..

Tot slot: Op zondag 1 januari is er in de Welkomkerk een samenzijn, het midden houdend tussen een nieuwjaarsbijeenkomst en een kerkdienst. Om 10.30 uur ’s ochtends wordt u met koffie welkom geheten. Mieke Koster leidt de samenkomst. Ik wil onder andere een cantate voor u zingen, begeleid door Jan van Elst. Een cantate over De Tijd, geschreven door een tijdgenoot van Bach: Georg Philip Telemann. Hij was iets frivoler dan Bach, maar gebruikte ook van die wollige taal…… dat dan weer wel.

Barend van Zijll

Het is zuiver toeval dat ook deze meditatie als in de vorige maand, met een gedicht begint.

Het is herfst en als dan de bladeren van de bomen zo mooi kleuren en op de grond vallen, moet ik denken aan het gedicht van J. v.d. Waals: De Gouden Najaarslaan. Ik laat enkele regels volgen.


Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik de gouden deuren wijd
Zag openstaan,
Het werd mij, toen ik binnen ging
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.


Wat is het heerlijk als je zo kunt genieten van Gods schepping. Natuurlijk weten we ook, dat niet alles "goud” is wat er blinkt. Het mooie najaar kan ook stormen teweeg brengen. Letterlijk, zodat de schepping zucht in al haar delen om het bijbels te zeggen. Maar ook in een mensenleven kan de herfst huishouden. Dan is het goed, als er familie en vrienden om ons heen staan die ons op kunnen vangen. Dan is het goed, dat we deel uit mogen maken van een kerkgemeenschap. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat dan alles opgelost wordt, dat er geen stormen meer woeden. We kunnen moe worden van dagelijkse zorgen,
ziekte, eenzaamheid. Dit is echter van alle tijden, moe worden. Ik las een paar woorden van Augustinus (354-430) Die gaan zo:

Wie is er nu niet afgemat in deze wereld? Kan iemand mij zeggen wie er niet moe is van het werken of van het piekeren? De arme is afgemat van het werken, de rijke van het piekeren. De arme is moe omdat hij streeft naar bezit, de rijke omdat hij streeft naar behoud en omdat hij ook nog winst wil maken, is de rijke nog veel meer afgemat.

Zie hier een tekst van bijna 2000 jaar geleden.

Ik kom nog even terug op de herfst, herfst betekent soms ook mist, soms dikke mist. En wat kan het dan mooi zijn als die mist langzaam optrekt, als een vogel gaat zingen en de zon opkomt. Daarom nog de volgende regels:

Nu de zon zo heerlijk gaat schijnen
is ’t of mijn sores verdwijnen
Keek ik maar wat vaker naar boven
‘k heb reden om mijn Heer te loven
En verder te leven met plezier
Hem dankend voor mijn leven hier.

W.S. Koster-Voskamp

Ik kan me niet anders voorstellen dat de meesten van u, net als ik, wel eens lijden aan één van de 3 B’s, namelijk Bedroefd, Bang en/of Bezorgd.
Met name ‘s nachts in bed kun je dan de slaap niet vatten en lig je maar te woelen en te tobben met rondmalende gedachten over de “B” die je dwars zit.
Het woord van Jezus in de Bergrede in Mattheus 6 vers 33, namelijk dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de dag van morgen, is dan vaak op zo’n moment niet een directe hulp.

Een wel heel ander beeld voor zulke donkere, sombere momenten, wordt door de dominee/dichter Nicolaas Beets geschetst in zijn gedicht “De moerbeitoppen ruis(ch)ten”.

“De moerbeitoppen ruisten;”
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
‘k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij

Nicolaas Beets

 

Hierboven is dit gedicht weergegeven; in prachtige zinnen en beelden beschrijft de dichter dat het in zo’n nacht klaarblijkelijk ook heel anders kan. De dichter voelt en ervaart namelijk in zo’n sombere nacht de nabijheid van God die bij hem toeft/blijft en gedachten die kwelden/vervolgden en ontstelden verdrijft. De dichter besluit dan ook met:


De morgen die mij wekte
Begroette ik blij,
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen
Waart nog nabij.

Prachtige, hartverwarmende woorden die tot steun en vertrouwen (kunnen) zijn.

 De eerste 2 zinnen blijven echter mysterieus en vreemd: Waarom worden moerbeitoppen opgevoerd, en waarom geen wilg, beuk of wat dan ook voor boom?
Nicolaas Beets was predikant en kende zijn schriften. Het is dan ook niet voor niets dat hij de eerste regel van dit gedicht tussen aanhalingstekens zette en die zin dus citeerde/ergens vandaan had. De verklaring voor de verwijzing naar de moerbeitoppen is namelijk te vinden in het Aloude testament en wel in 2 Samuel 5 in de verzen 17-25.
Daar wordt beschreven dat David, nadat hij tot koning over Israël was gezalfd, door de Filistijnen tot twee maal toe werd aangevallen.
De eerste maal versloeg David de Filistijnen na door de Here daartoe te zijn aangespoord. De Filistijnen lieten het er echter hier niet bij zitten en trokken weer tegen David op en verzamelden zich in het dal Refaim. David raadpleegt de Here en krijgt te horen: Trek niet op; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat ge hen kunt aanvallen van de kant der balsemstruiken. En zodra gij een geluid van schreden hoort in de toppen van de balsemstruiken, haast u dan, want dan is de Here voor u uitgetrokken om het leger van de Filistijnen te verslaan. David nu deed aldus, gelijk de Here hem geboden had, hij versloeg de Filistijnen, van Gibea af tot bij Gezer.
Deze weergave is uit de vertaling NBG 1951. In de Statenvertaling wordt echter niet gesproken over balsemstruiken, maar over moerbezienbomen en in vers 24 van die vertaling  staat:  ….als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u: want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan…..

Het zijn deze woorden die Beets brachten tot zijn “de moerbeitoppen ruisten, God ging voorbij”.
Het mooie is bovendien dat hij, in aanvulling/in vervolg op de gebeurtenissen bij en met David, God niet alleen laat voor(bij)gaan, maar de Here bij hem laat toeven/verblijven en tot hem laat spreken, in de stille, de stille nacht. Denk bij deze woorden ook even aan de ontmoeting van de profeet Elia met God (zie 1 Koningen 19:12) in “een ademloze stilte“ (NBG 1951) of “het suizen van een zachte stilte” (Statenvertaling).
Het haast jaloersmakende vertrouwen wat uit al deze woorden van Nicolaas Beets zo spreekt, mondt daarom dan ook uit in een breuk met de misère van de avond en nacht omdat hij blij ontwaakt:

 

            En Gij, mijn Schild en Wapen,
            Waart nog nabij.

 

Ik wens een ieder van ons veel van dit vertrouwen toe!!

 N.A. Hanemaayer

Eén van mijn leermeesters, professor Kuitert, schrijft in zijn veelgelezen en veelgeprezen boek over het christelijk geloof (“Het algemeen betwijfeld christelijk geloof”, uitgegeven bij ten Have- 25 jaar nadat het voor het eerst verscheen, is het nog altijd zeer de moeite waard om te lezen!) de prachtige en kernachtige uitspraak dat “vriendschap met de eeuwige God een eeuwige vriendschap is”. Vriendschap van mensen die je in de loop van je leven mag ervaren, is een teken van die blijvende vriendschap van  God. Aan het einde gekomen van predikant-zijn in actieve dienst, waarvan ruim 10 jaar in Rockanje waar wij met zoveel vreugde wonen, willen wij u van harte bedanken voor alle vriendschap die we hier mochten en hopelijk nog lang zullen mogen ervaren. Ik vond een tekst die afkomstig is uit een klooster in Tongerlo met daarin woorden die voor zichzelf spreken:


Dankbaar is ons hart, Heer, en vervuld van vreugde.
Als vreemden zijn wij hier gekomen, als vrienden vonden wij elkaar.
Wij zijn de takken van één boom, van hetzelfde huis de gangen.
Wij hebben naar elkaar geluisterd en konden spreken met elkaar.
Een antwoord kwam op vragen, en waar geen antwoord was, daar groeide hoop.
Wij weten ons door elkaar gedragen, terwijl wij nog onderweg zijn naar U, onze God die ons zo nabij bent.
Wij nemen wat hier groeide en wat wij hier beleefden en beleven in vertrouwen mee de toekomst in, om verder van- en mee te leven en wij vragen over elkaar en over ons, Uw zegen.


J.T.A. Wilschut-Hoogstrate
J.M. Wilschut

Een onbekende auteur schreef ooit zijn geloven in God op in de vorm van een denkbeeldig interview, dat hij met de Eeuwige had. Onlangs kwam ik in een map met bewaar-knipsels de tekst weer tegen. Het gesprek gaat als volgt:
“Kom erin” begroette God mij. “Jij wilt dus een interview met Mij hebben?”
“Als u daar tijd voor hebt, graag” antwoordde ik. God begon te lachen. “Mijn tijd wordt eeuwigheid genoemd en er is altijd genoeg te doen, van alles en nog wat; maar wat wil je Mij eigenlijk vragen?”
“Mijn eerste vraag is waarover U het meest verbaasd bent, als U aan de mensen denkt.”
God moest even nadenken en zei toen: “Wat Mij het meest verbaast, is dat het de mensen zo gauw verveelt om kind te zijn. Dat ze zoveel haast hebben om volwassen te worden en vervolgens voortdurend weer terug verlangen naar hun kinderjaren. Dat ze bereid zijn hun gezondheid te verliezen om geld te verdienen en vervolgens hun geld kwijtraken om hun gezondheid weer te herstellen. Dat ze zich zoveel zorgen maken over de toekomst en daardoor vergeten dat ze nu leven, met als gevolg dat ze nu geen leven hebben maar ook in de toekomst niet. Dat ze leven alsof ze nooit zullen sterven en dat ze sterven alsof ze nooit geleefd hebben.”
God nam mijn handen in de Zijne, we zwegen allebei, diep in gedachten. Na een poos zei ik: “Mag ik U nog een vraag stellen? Stel, U bent onze vader of moeder. Wat zou U uw kinderen vragen te doen?” Er verscheen een glimlach op Gods gezicht en Hij antwoordde: “Ik zou mijn kinderen vragen, te begrijpen, dat ze er nooit voor kunnen zorgen dat iedereen van hen houdt. Wat ze wel kunnen doen is zich openstellen voor de liefde van anderen. Ik zou willen, dat ze zouden leren inzien, dat het jaren kost om vertrouwen op te bouwen en dat het niet meer dan enkele seconden hoeft te duren om dat vertrouwen te vernietigen. Dat hetgeen wat zij hebben niet het meest waardevolle in hun leven is, maar wie ze hebben. Niet degene die het meeste heeft is rijk, maar degene die het minste nodig heeft. Ik vind dat mijn kinderen moeten leren hun gewoontes en neigingen onder controle te houden, anders gaan die gewoontes en neigingen hen beheersen. Ze moeten leren, dat het maar enkele seconden kost om oude, diepe wonden open te rijten bij mensen van wie ze houden en dat het vele jaren kost, om die wonden weer te helen. Ze moeten begrijpen, dat er mensen zijn die erg veel van hen houden maar die niet in staat zijn, om deze gevoelens ook te tonen. Ze moeten leren, dat het heel begrijpelijk is, dat ze op een gegeven moment kwaad en woedend kunnen zijn, maar dat dit hun niet het recht geeft om anderen woedend te maken. Zij moeten leren, dat ze oogsten wat ze zaaien. Wanneer ze roddel zaaien, zullen ze intriges oogsten; wanneer ze liefde zaaien zullen ze geluk oogsten. Ze moeten leren, dat het niet voldoende is wanneer anderen hen vergeven, maar dat ze ook in staat moeten zijn om zichzelf te vergeven. Ze moeten leren, dat ze de baas zijn over wat ze vóór zich houden en slaaf zijn van datgene wat ze vertellen. Ze moeten leren, dat ze eerlijk zijn tegenover zichzelf, zonder op de consequenties te letten. Ze moeten leren, dat twee mensen naar hetzelfde kunnen kijken en twee totaal verschillende dingen kunnen zien. Hoewel het woord ’liefde’ veel verschillende betekenissen heeft, verliest het elke betekenis wanneer het woord overdreven gebruikt wordt. Ze moeten leren, dat het ware geluk niet ligt in het bereiken wat je wilt, maar in tevreden zijn met wat je bereikt hebt. Ze moeten leren, dat je het ware geluk alleen vindt als je de ander, ongeacht zijn geloof of afkomst, onvoorwaardelijk accepteert en respecteert. Dan zal er vrede op aarde zijn, voor mensen van Mijn welbehagen.”

J.M.W.

Zoeken