Zoeken

Eén van mijn leermeesters, professor Kuitert, schrijft in zijn veelgelezen en veelgeprezen boek over het christelijk geloof (“Het algemeen betwijfeld christelijk geloof”, uitgegeven bij ten Have- 25 jaar nadat het voor het eerst verscheen, is het nog altijd zeer de moeite waard om te lezen!) de prachtige en kernachtige uitspraak dat “vriendschap met de eeuwige God een eeuwige vriendschap is”. Vriendschap van mensen die je in de loop van je leven mag ervaren, is een teken van die blijvende vriendschap van  God. Aan het einde gekomen van predikant-zijn in actieve dienst, waarvan ruim 10 jaar in Rockanje waar wij met zoveel vreugde wonen, willen wij u van harte bedanken voor alle vriendschap die we hier mochten en hopelijk nog lang zullen mogen ervaren. Ik vond een tekst die afkomstig is uit een klooster in Tongerlo met daarin woorden die voor zichzelf spreken:


Dankbaar is ons hart, Heer, en vervuld van vreugde.
Als vreemden zijn wij hier gekomen, als vrienden vonden wij elkaar.
Wij zijn de takken van één boom, van hetzelfde huis de gangen.
Wij hebben naar elkaar geluisterd en konden spreken met elkaar.
Een antwoord kwam op vragen, en waar geen antwoord was, daar groeide hoop.
Wij weten ons door elkaar gedragen, terwijl wij nog onderweg zijn naar U, onze God die ons zo nabij bent.
Wij nemen wat hier groeide en wat wij hier beleefden en beleven in vertrouwen mee de toekomst in, om verder van- en mee te leven en wij vragen over elkaar en over ons, Uw zegen.


J.T.A. Wilschut-Hoogstrate
J.M. Wilschut

Een onbekende auteur schreef ooit zijn geloven in God op in de vorm van een denkbeeldig interview, dat hij met de Eeuwige had. Onlangs kwam ik in een map met bewaar-knipsels de tekst weer tegen. Het gesprek gaat als volgt:
“Kom erin” begroette God mij. “Jij wilt dus een interview met Mij hebben?”
“Als u daar tijd voor hebt, graag” antwoordde ik. God begon te lachen. “Mijn tijd wordt eeuwigheid genoemd en er is altijd genoeg te doen, van alles en nog wat; maar wat wil je Mij eigenlijk vragen?”
“Mijn eerste vraag is waarover U het meest verbaasd bent, als U aan de mensen denkt.”
God moest even nadenken en zei toen: “Wat Mij het meest verbaast, is dat het de mensen zo gauw verveelt om kind te zijn. Dat ze zoveel haast hebben om volwassen te worden en vervolgens voortdurend weer terug verlangen naar hun kinderjaren. Dat ze bereid zijn hun gezondheid te verliezen om geld te verdienen en vervolgens hun geld kwijtraken om hun gezondheid weer te herstellen. Dat ze zich zoveel zorgen maken over de toekomst en daardoor vergeten dat ze nu leven, met als gevolg dat ze nu geen leven hebben maar ook in de toekomst niet. Dat ze leven alsof ze nooit zullen sterven en dat ze sterven alsof ze nooit geleefd hebben.”
God nam mijn handen in de Zijne, we zwegen allebei, diep in gedachten. Na een poos zei ik: “Mag ik U nog een vraag stellen? Stel, U bent onze vader of moeder. Wat zou U uw kinderen vragen te doen?” Er verscheen een glimlach op Gods gezicht en Hij antwoordde: “Ik zou mijn kinderen vragen, te begrijpen, dat ze er nooit voor kunnen zorgen dat iedereen van hen houdt. Wat ze wel kunnen doen is zich openstellen voor de liefde van anderen. Ik zou willen, dat ze zouden leren inzien, dat het jaren kost om vertrouwen op te bouwen en dat het niet meer dan enkele seconden hoeft te duren om dat vertrouwen te vernietigen. Dat hetgeen wat zij hebben niet het meest waardevolle in hun leven is, maar wie ze hebben. Niet degene die het meeste heeft is rijk, maar degene die het minste nodig heeft. Ik vind dat mijn kinderen moeten leren hun gewoontes en neigingen onder controle te houden, anders gaan die gewoontes en neigingen hen beheersen. Ze moeten leren, dat het maar enkele seconden kost om oude, diepe wonden open te rijten bij mensen van wie ze houden en dat het vele jaren kost, om die wonden weer te helen. Ze moeten begrijpen, dat er mensen zijn die erg veel van hen houden maar die niet in staat zijn, om deze gevoelens ook te tonen. Ze moeten leren, dat het heel begrijpelijk is, dat ze op een gegeven moment kwaad en woedend kunnen zijn, maar dat dit hun niet het recht geeft om anderen woedend te maken. Zij moeten leren, dat ze oogsten wat ze zaaien. Wanneer ze roddel zaaien, zullen ze intriges oogsten; wanneer ze liefde zaaien zullen ze geluk oogsten. Ze moeten leren, dat het niet voldoende is wanneer anderen hen vergeven, maar dat ze ook in staat moeten zijn om zichzelf te vergeven. Ze moeten leren, dat ze de baas zijn over wat ze vóór zich houden en slaaf zijn van datgene wat ze vertellen. Ze moeten leren, dat ze eerlijk zijn tegenover zichzelf, zonder op de consequenties te letten. Ze moeten leren, dat twee mensen naar hetzelfde kunnen kijken en twee totaal verschillende dingen kunnen zien. Hoewel het woord ’liefde’ veel verschillende betekenissen heeft, verliest het elke betekenis wanneer het woord overdreven gebruikt wordt. Ze moeten leren, dat het ware geluk niet ligt in het bereiken wat je wilt, maar in tevreden zijn met wat je bereikt hebt. Ze moeten leren, dat je het ware geluk alleen vindt als je de ander, ongeacht zijn geloof of afkomst, onvoorwaardelijk accepteert en respecteert. Dan zal er vrede op aarde zijn, voor mensen van Mijn welbehagen.”

J.M.W.

Er is een oud gezegde, maar die oude gezegdes zijn vaak vol van een diepe wijsheid: “alleen God is volmaakt.” Dat is het verschil tussen God en mens: niemand van ons mensen is volmaakt. Jazeker, maar lang niet elk mens staat zichzelf dat besef toe. Steeds kom je ze tegen, mensen die van zichzelf eigenlijk geen fouten mogen maken. En dat kan dan twee kanten opgaan: óf die mensen ontkennen dat zij ooit iets fout doen; als er iets mis gaat ligt het altijd aan een ander- en ze zijn er met geen stok toe te bewegen om een gemaakte fout toe te geven. Óf, en dat is een andere mogelijkheid, je loopt constant rond met schuldgevoelens omdat je in eigen ogen voortdurend te kort schiet. Zulke mensen worden ook wel perfectionisten genoemd, ze willen eigenlijk volmaakt zijn. Het gekke is dat ze in theorie allemaal meteen grif zullen toegeven dat dat helemaal niet kán, volmaakt zijn. Want met een volmaakt mens -wat dat dan ook moge zijn- zou natuurlijk niet te leven zijn. Maar toch eisen ze het van zichzelf en leven daardoor voortdurend in een vermoeiende kramp.  
Wat ook gebeurt, is dat mensen een ander mens als volmaakt beschouwen en op een voetstuk zetten. “Mijn vader, mijn moeder kan alles”, zegt of denkt een klein kind. Zolang je klein bent, lijken je vader en moeder twee reuzen en we kunnen ons allemaal nog wel herinneren wat een schok het was toen we gingen ontdekken dat ook zij, hun beperkingen en gebreken hadden. En zo gaat dat door, naarmate we ouder worden: mensen die we vanuit de verte bewonderen en soms als idolen vereren, blijken zodra we ze van wat dichterbij beschouwen, ook schepselen van vlees en bloed te zijn.

Waarom doen we dat, iemand hoog op een voetstuk zetten?  Vanuit onvolwassenheid? Vanuit onze eigen onzekerheid? Of omdat die ander de innerlijke ruimte en vrijheid heeft die jezelf mist; omdat die niet zoals jij, lijkt te lijden onder beperkingen en grenzen. Maar vroeg of laat duikelt die door jou, vereerde mens, natuurlijk ook een keer naar beneden. De psychiater Jung vertelt dat hij eens een patiënt had van wie hij dacht: zouden er dan toch heiligen bestaan? Want die man leek er echt op. Tot de dag kwam, schrijft Jung, dat ik de vrouw van deze “heilige” sprak….

Het is heilloos om jezelf of een ander met te hoge verwachtingen op te zadelen. Want de kans is levensgroot dat je vervolgens óf boos zult worden als een ander eens een keer niet aan het hoge ideaalbeeld dat jij van hem gemaakt hebt, voldoet; óf dat je je schuldig gaat voelen omdat je zelf niet aan de hoge eisen die je, je hebt gesteld kunt voldoen. Van die dwang zijn wij bevrijd, schrijft Paulus in zijn brief aan de Galaten (hoofdstuk 5 vers 13) waar hij het heeft over de Geest van vrijheid die met Pinksteren is gaan waaien. Wij zijn mens en geen God. Ik heb eens ergens gelezen: je moet je God niet voorstellen als iemand boven je maar onder je, als de grond die je voedt, de bodem die je draagt. Beelden die zeggen willen: mens láát je dragen. Het is niet waar dat alles van jou afhangt. Een perfectionist is een mens die ten diepste denkt, dat alles van hem of haar afhangt, dat hij helemaal op zichzelf is aangewezen; geen wonder dat je dan onder grote spanning komt te staan. Paulus weet van een andere maatstaf: Gods genade die het werk van onze handen bevestigt. Alles wat wij onaf moeten laten en onvoltooid wordt opgenomen in Gods handen die op een verborgen manier werken in deze wereld. 

J.M.W.

 

                                                                                                                                 

 

In deze tijden waarin woorden als CO2-afdruk, schone energie en hergebruiken bijna dagelijks in het nieuws zijn moest ik laatst denken aan de slogan die al weer een poos geleden op reclameborden hing: “ rotte appel wordt toffe peer”. Die reclame had tot doel om mensen op te roepen groente- en fruit afval niet in de gewone vuilnisbak te gooien maar in de groene container (of rechtstreeks op een composthoop in de tuin, dat kan natuurlijk ook). Dankzij de natuurlijke kringloop kan van lieverlee nieuw fruit groeien op basis van de compost van bijvoorbeeld rotte appels. “Rotte appel wordt toffe peer”- je zou kunnen zeggen dat dit ook een mooie omschrijving is van het pinksterfeest wat er aan komt deze maand. Wat een rotte appel is weet iedereen, zeker iemand die zichzelf zo voelt: beurs gevallen, kapot gestoten, aan de kant gezet. Een rotte appel. Zo voelen de leerlingen van Jezus zich als hun Heer en Meester is gekruisigd. Maar, zo vertellen de verschillende evangelisten in verschillende toonaarden, doordat Jezus aan hen verschijnt worden zij opnieuw geboren. In Handelingen 2 sluit Lukas (als hij wil vertellen van die nieuwe geboorte, van dat recyclen van oud naar nieuw) aan bij het wekenfeest zoals dat in het Aloude Testament wordt gevierd, 7 weken na het Pascha. Alle twee zijn die feesten oorspronkelijk gevierd als oogstfeesten: Pasen was het feest van de eerste opbrengst van de nieuwe oogst, de eerstelingen en op het wekenfeest volgde dan het vieren van de volle tarweoogst. U kunt het allemaal nalezen in Deuteronomium 16. Lukas transformeert de betekenis van die oude oogstfeesten, als hij aan ieder die het maar horen wil, verkondigt dat Pasen betekent dat Jezus de eersteling is, de eerste vrucht van het nieuwe leven dat begint, de eerstgeborene uit de doden. Jezus leeft. En Pinksteren, zo trekt Lukas in Handelingen 2 die vergelijking door, betekent dan: en wij met Hem, wij mogen met Hem horen bij de nieuwe mensen.
Even tussen haakjes: Handelingen 2 is niet de enige manier waarop in het evangelie verteld wordt van de nieuwe geboorte van mensen. Johannes 20 vers 19-23 zie je dat deze evangelist geen 7 weken tussen Pasen en Pinksteren laat vallen, nee bij hem vallen ze op dezelfde dag: de opgestane Heer blaast (net als de Schepper in Genesis 2) over zijn leerlingen de Heilige Geest uit en herschept ze zo tot nieuw leven.  Er zijn dus meerdere manieren om te zeggen dat wij met Christus herboren mogen worden tot een levende hoop. Rotte appels worden toffe peren. En wat de goede vruchten zijn die groeien aan de Geest? De liefde en de vreugde, de vrede ’t allermeest (lied 841).

J.M.W.

Als PSV of Ajax over een paar weken kampioen van Nederland wordt zullen de supporters van één van die twee clubs wel weer massaal zingen: “we are the champions”. Wij hebben gewonnen! Wij? Die elf spelers zul je bedoelen. Nee, wíj, roepen die enthousiastelingen want op die manier ervaren ze het. Ze voelen zich zo verbonden met hun elftal dat de overwinning van de spelers hun eigen overwinning is. Zij (die 11 spelers) zijn wij. Die inclusieve manier van denken is heel bijbels; sterker nog, die manier van denken is een soort rode draad die je moet volgen om de Bijbelse verhalen en in het bijzonder het evangelie te begrijpen. Als het over Adam gaat, dan gaat het niet over één persoon van zoveel duizend jaar geleden. Nee als het over Adam gaat dan gaat het in hem over ons allemaal. Hij is wij. En Abram staat ook model voor alle gelovigen.

Hij vertegenwoordigt ons allen. Op die manier spreekt de apostel Paulus in zijn brieven voortdurend over de levende Heer Jezus. Hij is het hoofd van Zijn gemeente, Hij vertegenwoordigt de zijnen, de zijnen zijn in Hem begrepen. Hun lot is het Zijne, Zijn lot is dat van hen. Toen Christus stierf aan het kruis had Hij al de zijnen bij zich, toen stierven ze allemaal. En als hij wordt opgewekt uit de doden komen ze allen tot nieuw leven. Met Hem gestorven, met Hem opgewekt. In zijn brief aan de gemeente in Rome schrijft Paulus over het geheimenis van Pasen. En hij gebruikt daar een beeld uit de tuinierswereld voor. Een kweker plant een ent in op een stam. Die ent deelt nu voortaan het lot van de stam. Zo zijn wij samengegroeid met de Messias in Zijn dood en opstanding. Wij zijn als het ware één plant met Hem geworden zegt hij in Romeinen 6. Onze oude manier van leven is met de Messias achtergebleven in Zijn dood, en met Zijn opstanding is ook voor ons een nieuwe manier van leven tevoorschijn gekomen. Daarom zullen we, zo vervolgt de apostel, ook leven als “opgewekte” mensen, als mensen die het paasfeest in de rug hebben. Jezus leeft en wij met Hem. Wij mensen mogen wandelen in het licht van Pasen. Want Hij is wij.

J.M.W.