Zoeken

Een vrouw had op een nacht een droom. "Wie ben je", vroeg een stem haar in die droom. "Ik ben de vrouw van de burgemeester" antwoordde ze. "Ik vroeg niet wiens vrouw je was, ik vroeg wie jij bent", zei de stem. "Ik ben de moeder van twee kinderen". "Ik vroeg niet van wie je de moeder was, maar wie jij bent". "Ik ben verkoopster in een winkel". "Ik vroeg niet naar je beroep", zei de stem weer, "ik vroeg wie jij bent." En zo ging dat droomgesprek maar door. "Ik ben amateurfotografe"—"Zeker, maar ik vroeg niet naar je hobby's maar naar wie jij bent?" "Ik ga 's zondags naar de kerk en ik help zo goed ik kan, mensen die het nodig hebben." "Ik vroeg niet naar wat je doet, ik wil weten wie jij bent."

Onlangs stond er in mijn krant een stukje over de Italiaanse psychiater Assagioli die in één van zijn boeken een oefening beschrijft die te maken heeft met bovenstaande vraag: wie ben ik? Neem een stuk karton, schrijft Assagioli en knip daar een stuk of acht kaartjes uit. Op elk van die kaartjes schrijf je een rol die je in het leven speelt, bijvoorbeeld, echtgenoot, moeder, vriend, timmerman, wandel-liefhebber, lid van de Welkomkerkgemeente, voetballer, weduwe, boekenlezer, opa, amateurfotografe enzovoort, enzovoort. Maak van deze kaartjes een stapeltje in volgorde van de mate van belangrijkheid voor jou. Uiteindelijk komt de voor jou belangrijkste rol onderop en de minst belangrijke bovenaan te liggen. Je begint met het bovenste kaartje te pakken, het hardop voor te lezen en je vervolgens in te denken hoe het is om zonder deze rol te zijn. Als alle kaartjes zijn weggelegd ben je, nu al je rollen verdwenen zijn, gekomen bij de grond, de kern van je bestaan; bij het geheim van je mens-zijn, ook wel de ziel geheten: dat wat een mens uiteindelijk tot mens maakt. Het is moeilijk om er woorden voor te vinden wat dat betekent: je ziel. Zelfs de grote kerkvader Augustinus (die ons vele tienduizenden prachtige woorden heeft nagelaten) ging stotteren als hij moest zeggen wat de ziel is. Je komt als je daar antwoord op wilt geven op heilige grond, net als Mozes die, als hij bij de braamstruik vraagt naar wie God is, te horen krijgt: "Ik ben die ik ben".
Nu pak je vervolgens de kaartjes één voor één terug, je eigent je de rollen weer toe waar bij je verkent welke betekenis ze nu voor je hebben. Het kan heel goed zijn, dat je door deze oefening voortaan aan een bepaalde rol méér of juist minder aandacht gaat geven, dan je tot nu toe deed. Of dat je je vrijer bewegen gaat in je dagelijkse rollen omdat je duidelijker beseft dat je als mens altijd méér bent dan wat je doet of wat je hebt; altijd meer ook dan wat anderen over je zeggen, meer dan vader of moeder, oma of tante, meer dan werknemer of directeur, meer dan patiënt of gezonde. Voor dat "meer" zijn eigenlijk geen woorden maar dat betekent niet dat het niet heel werkelijk is. Bonhoeffer schreef een beroemd gedicht met de titel: "wie ben ik"—daarin probeert hij er coupletten lang achter te komen wie hij nu echt is, maar hij komt daar niet uit en eindigt het gedicht dan zo: "wie ik ook ben, ik ben van U, mijn God."

J.M.W.

Rollen

 

Er was eens een man op weg naar God. In de koffers die hij bij zich had droeg hij alles wat hij in zijn leven zo al had verzameld. Eindelijk kwam hij bij het huis van God en klopte aan. 'Ik herken u niet', zei de portier. 'Tja,' zei de man nors, 'dat is dan wederzijds, want ik ken u ook niet.' 'Kom misschien een andere keer terug', zei de portier en sloot de deur.
De man was ziedend en stampvoette tegen zijn koffers. ' Wacht maar tot ik God zie', zei hij tegen zichzelf, 'dan zal ik Hem eens flink onderhouden over zijn onbeleefde personeel'. Hij pakte koffers en hervatte zijn tocht naar God.
Onderweg kwam hij een vos tegen. 'Ik heb het warm' zei de vos, mag ik in de schaduw van uw koffer gaan liggen?' De man gaf hem één van zijn koffers. Toen zag hij een herdersjongen die plukjes wol aan het verzamelen was in zijn handen. De man aarzelde: 'misschien kun jij wel een koffer gebruiken'. En hij gaf nog een koffer weg. Een stuk verder ging hij op een bankje naast een vrouw zitten om uit te rusten. Samen genoten ze van de zon en van het groen om hen heen. Na een poos stond hij op om te vertrekken. 'Meneer', riep de vrouw, 'u vergeet uw koffer'. 'Oh', zei de man, 'hou die maar, die heb ik niet meer nodig.'
Weer stond de man voor het huis van God en klopte aan. 'Daar zijn we weer' zei de man. De portier zei: 'oh, herkent u mij?' De man knikte. 'Vergeet alstublieft wat ik de vorige keer allemaal tegen u zei, u weet hoe dat gaat. Soms ziet een mens door zijn koffers God niet meer'. 'Dat gebeurt wel vaker', zei de portier en hij zwaaide de deur van het huis helemaal open.

J.M.W.

De zomermaanden zijn weer begonnen, weken waarin voor veel mensen, het ritme van het dagelijks leven voor even onderbroken wordt: in ons dorp zien we de komende tijd bijna dagelijks en zeker in het weekend, weer hele hordes naar het strand trekken, of op de fiets een tochtje maken over ons mooie eiland met al zijn recreatieve voorzieningen. Dat woord recreatie betekent letterlijk "nieuwe schepping" en is daarom heel toepasselijk om te omschrijven wat al die mensen komen zoeken: ze willen graag herboren, verfrist straks weer huiswaarts gaan, op nieuwe adem gekomen door het verblijf in de rust van onze stiltegebieden.

Aan een monnik werd eens door een paar bezoekers van het klooster de vraag gesteld: "waarom doen jullie kloosterlingen dat eigenlijk? Wat is de zin van een leven in de rust en de stilte"? De monnik was juist bezig een emmer water te putten. Hij vroeg zijn bezoekers om dichterbij te komen: "Kijk eens in de put, wat zien jullie daar"? Ze keken in de diepte maar zagen helemaal niks. Een poos later zei de monnik: "kijk nu nog eens naar beneden". Weer bogen de bezoekers zich over de rand van de put. "Wat ziet u nu?", vroeg hij. "Nu zien we onszelf", was het antwoord. "Ziet u", vervolgde de monnik, "toen ik daarnet water uit de put haalde, was het oppervlak onrustig door de emmer die er in rond bewogen had. Maar nu is het rustig geworden. Dat is de ervaring van de stilte: je ziet jezelf. En als je in jezelf tot rust gekomen bent, zie je niet alleen de wereld om je heen met andere ogen, maar ook God."

Zoals C.S. Adama van Scheltema dichtte:

Min de stilte in uw wezen,
zoek de stilte die bezielt,
zij die alle stilte vrezen
hebben nooit hun hart gelezen,
hebben nooit geknield.
Leer u aan de stilte laven:
waar het leven u geleidt -
zij is uwe veil'ge haven,
want zij is de grote gave
van de Eeuwigheid.

J.M.W.

Tijdens onze vakantie kwamen we in Modica- een klein barok-stadje in het zuidoosten van Sicilië- en bezochten een kerkdienst waarin de naamdag van de beschermheilige van de stad werd gevierd. Dat was sint Joris; een man die leefde in Capadocië in het huidige Turkije, die op 23 april 303 omwille van zijn christelijk geloof werd vermoord. Voorin de kerk stond het beeld van deze heilige waar de schoolkinderen van het stadje bloemen bij legden. Op het altaar stond ook een zilveren kistje met, naar verluid, een paar botjes van de heilige erin. De kinderen werden door hun familie uitvoerig op de foto gezet met het beeld van Joris en ook staande naast het kistje waarin zijn relikwieën gekoesterd worden. Na de dienst raakten we in gesprek met iemand van het kerkbestuur, die ons van alles vertelde over zijn kerkgebouw en vervolgens ons vroeg waar we vandaan kwamen. Toen hij hoorde dat we protestant waren ging hij op een bepaald moment van het Italiaans over in het Engels ("mijn medekerkleden hoeven niet te horen wat ik nu zeg") en zei dat hij het hele gedoe rondom de (vermeende) overblijfselen van de heilige eigenlijk een beetje heidens vond. Per slot van rekening, zo vond hij, is Christus het ware gezicht van God.

Ik moest eraan denken toen ik van de week in de krant las dat deze maand juni in de kathedraal van Turijn voor het eerst sinds jaren één van de bekendste relikwieën ter wereld weer te zien is: de doek waarin volgens de katholieke kerk het lichaam van Christus gewikkeld zou zijn, toen Hij van het kruis werd afgenomen. En inderdaad, het laken vertoont bloedsporen en vaag is het 'negatief', de afdruk van het gezicht van een man erop te zien. Hoe die afdrukken op het doek gekomen zijn weet niemand en een ander probleem blijft de datering. Onderzoekers concludeerden jaren terug al dat de doek stamt uit rond 1300 na Christus, maar er zijn collega wetenschappers die dit bestrijden. Ruim een miljoen pelgrims hebben al een plekje gereserveerd om te gaan kijken in Turijn. Paus Franciscus gaat op 21 juni en zei onlangs na de dienst in de sint Pieterskerk dat "deze doek gelovigen helpt om in Jezus het barmhartige gezicht van God te vinden". Met het laatste stuk van die uitspraak: 'Jezus die het barmhartige gezicht van de onzienlijke God is' zal denk ik iedere christen het volmondig eens kunnen zijn. Maar of dat laken daar nou bij helpt? Het lijkt mij dat je om het gezicht van Christus te ontdekken beter de evangeliën kunt openslaan: die vertellen van de woorden en de daden die de levende Heer zegt en doet. Wat dat betreft zit ik veel meer op de lijn van wat de man in de kerk van Modica na de dienst tegen ons zei.

J.M.W.

Begin vorige maand was het 40 jaar geleden dat ik voor het eerst op de preekstoel stond. En hoe langer ik in de bijbel lees en er op studeer, hoe meer ik er van onder de indruk kom hoezeer het in het Boek der boeken gaat om een geschiedenis die geen verleden tijd wordt, maar waarin ieder van ons zich herkennen mag. Om zo te zeggen: wij lezen dat Boek, maar nog veel meer leest dat Boek ons en vertelt wie wij zijn! Natuurlijk, de bijbel is een bibliotheek van de boeken en boekjes, waarin we veel soorten en genres verzameld vinden: proza en poëzie, liederen en kronieken, spreuken en legendes, gelijkenissen en brieven. Gebundeld en geordend omspannen ze in 66 boeken en boekjes zo'n kleine twaalf eeuwen (de oudste stukken van het O.T. stammen van rond 1000 v. Christus, de jongste gedeelten van het N.T. uit de tweede eeuw na Christus). Maar heel die bonte verzameling heeft uiteindelijk maar één thema: de verhouding van God met ons mensen. De bijbel is het verhaal van een weg (de eerste christenen werden zo genoemd: mensen van de weg). Op een weg ben je in beweging en verandert het landschap om je heen. Voor die gedachte van beweging zijn nogal wat goede christenen wat benauwd. Want waar blijft dan je vastigheid? De bijbel is toch het onfeilbare woord Gods? En daarmee bedoelen ze dan zo ongeveer dat alles in de bijbel voor ons evenveel goddelijk gezag heeft. "Zo ongeveer" schreef ik want geen mens peinst erover om de offerwetten uit Leviticus te houden. Nee, zeggen we, die zijn vervuld in Christus (hoewel we Hem in Mattheus 5 in de Bergrede horen zeggen dat geen tittel of jota van de Wet vervallen is). Zeker, maar al die andere wetten uit Exodus en Leviticus? "Die moet je lezen vanuit de tien geboden." Nou en of, maar waarom vieren wij dan niet de zevende maar de eerste dag van de week als rustdag? "Omdat dat de dag van de opstanding van Christus is." Helemaal mee eens. Maar de bijbel is dus geen tijdloos boek. In de 12 eeuwen van haar ontstaan veranderde het landschap: de weg liep langs nomadententen en boerenakkers, door paleizen en tempels, door Babylon en Jeruzalem, via Antiochië en Athene naar Rome. Steeds een andere wereld, en andere mensen en daarom ook verschillende manieren waarop mensen de bevrijdende Stem van God hoorden. Mozes krijgt bevel om de koperen slang op te richten maar Hizkia (2 Koningen 18,4) slaat die juist weer kapot. Abraham moet zijn zoon besnijden maar de Galatiërs krijgen van Paulus te horen dat ze Christus verloochenen als ze dat doen. Calvijn noemde dat aanpassing aan steeds andere omstandigheden. Maar dat ene blijft hetzelfde: God die de mens zoekt. Zoals de joodse denker Heschel ooit zei: de hele geschiedenis van de mensheid is samen te vatten met de vraag in Genesis 3: mens waar ben je? God zoekt de mens, en wij zijn al door Hem gevonden, nog voor wij gaan zoeken.

J.M.W.

 het boek dat ons leest