Een man ging naar de kapper om zijn haar en baard te laten knippen. Ze begonnen samen een gesprek. De kapper zei: "ik geloof niet in God". "Waarom zeg je dat?", vroeg de man. "Nou, als je naar de wereld om je heen kijkt dan zie je toch met-een dat God niet bestaat. Als God er is, waarom zijn er dan zo-veel mensen ziek en misvormd, waarom gebeuren er ongeluk-ken, waarom laat Hij vreselijke dingen gewoon maar gebeuren? Nee, als God er echt was, dan was er geen ellende op aarde." De klant werd er stil van. Hij rekende af en verliet de zaak. Aan de overkant van de winkel zag hij een paar mannen op straat lopen met lange haren en onverzorgde baarden. Hij liep terug naar de kapperszaak en zei: "kappers bestaan niet". "Hoe bedoel je, ik ben toch kapper en ik sta hier vlak voor je", was het logische antwoord. Maar de klant hield vol: "nee kappers bestaan niet. Als ze er echt zouden zijn zouden er geen mensen rondlopen met lang haar en onverzorgde baarden zoals die kerels daar op straat". "Ja hallo", zei de kapper, "hoe kun je dat nou zeggen? Wij kappers zijn er wel maar de mensen moeten wel naar ons toe willen komen". "Precies" zei de klant, zo is het ook met geloven in God. Het is maar hoe je Hem ziet en of je met Hem te maken wilt hebben!
Toen aan Albert Einstein gevraagd werd: gelooft u in God ant-woordde hij: vertelt u mij dan eerst maar eens wie of wat u onder God verstaat; dan zal ik u zeggen of ik in Hem geloof. Daar had zijn gesprekspartner niet van terug. Natuurlijk niet. Want als we "God" zeggen, over wélke God hebben we het dan? Wat voor beeld van God hebben we? Het beeld van een God die de touwtjes van alle mensenlevens als een marionettenspeler in handen houdt, die de hand heeft in alles wat er gebeurt? Of het beeld van de God die wel meelijdt met mensen maar verder ook niets kan doen? Het beeld van God die gelijk is aan de natuur? Of God als een grote klokkenmaker die ooit de wereld op gang heeft gebracht maar daarna verder niets meer doet? God als boeman, God als het oog dat alles ziet, God als strenge rechter, God als liefhebbende Vader? De uitspraak: " ik geloof wel, of ik geloof niet in God" zegt dus nog niet zoveel. In wélke God geloven wij wel of niet? Dat kan een goed uitgangspunt zijn voor een gesprek over de vraag wie God voor u of jou is. Dat willen we ook in het winterseizoen dat deze maand van start gaat weer volop gaan doen!
J.M.W.

Bij ons thuis werden vroeger in het weekend en tijdens de vakantie vaak spelletjes gedaan. Mijn ouders waren kennelijk van mening dat je daar niet vroeg genoeg mee kon beginnen want ze maakten mijn zussen en mij enthousiast voor scrabble, schaken, dammen, monopoly, zwarte pieten, mah-jong, "stap op" en "de elf eruit". Het "5 minuten spel" niet te vergeten: binnen 5 minuten zoveel mogelijk woorden uit een woord halen, of Bijbelse namen opschrijven beginnend met één van de letters van het alfabet; en daarnaast leerden ze ons ook een aantal kaartspelen: pesten, canasta, klaverjassen en bridge. Die kaartspelen waren voor mijn ouders bepaald niet vanzelfsprekend, want daar waren ze zelf, beiden afkomstig uit wat dan heette goed gereformeerde gezinnen, bepaald niet mee groot geworden. De grote voorman van de 'kleine luijden'; Abraham Kuyper, noemde het kaartspel het duivels prentenboek. In één van zijn werken (de man heeft boekenplanken volgeschreven - waar hij de tijd vandaan haalde is wonderlijk, want hij was in zijn werkzame leven predikant, journalist, tweede kamerlid en ook nog een poos minister-president), "E Voto Dordraceno", waarin hij commentaar geeft op de Heidelbergse catechismus schrijft hij onder andere:
"Van meet af aan zijn onze vaderen kloek en kras tegen alle lotspel opgekomen. Ze hadden niets tegen spelen die oefe-ningen van scherpzinnigheid of spierkracht en vlugheid waren, zoals schaak-, dam- en kegelspelen, maar vooral tegen het kaartspel traden ze met onverzoenlijke ijver op. En terecht!" Bij mijn grootouders was dan ook nergens in huis een speelkaart te vinden, maar gelukkig zijn mijn ouders op dit gebied hun ou-ders niet gevolgd en hebben ons de regels van het kaartspel bijgebracht. Als ik over een poosje- bij leven en welzijn- met emeritaat ben, hoop ik geregeld te kunnen gaan bridgen; daar kan ik me nu al op verheugen. Ik kom op deze mijmeringen over het kaartspel omdat ik pas weer de tekst onder ogen kreeg van Gerard de Vries, in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw disc-jockey bij (toen nog) piratenzender radio Veronica. Hij scoorde destijds een grote hit met het vertellen (bijzonder was dat, een plaatje dat de top 40 binnenkwam waar iemand alleen maar voorlas en niet zong) van het verhaal over een spel kaarten. Het gaat zo:

"Het was in de tweede wereldoorlog. Een groep soldaten kwam in een klein dorp. De volgende morgen, zondag, ging een aantal van hen onder leiding van een sergeant, naar de kerk. Sommige jongens hadden hun bijbeltje bij zich. Maar één van hen had alleen maar een spel kaarten bij zich dat hij voor zich uitspreidde op de bank. Na afloop van de dienst werd de soldaat bij de officier militaire politie gebracht. "Waarom heeft u 'm hier gebracht, sergeant?", vroeg de officier. "Hij zat te kaarten in de kerk", was het antwoord. "Wat heb je daar op te zeggen", zei de luitenant. "Veel", was het antwoord van de bewuste soldaat. "Dat zullen we hopen, want als je geen deugdelijke reden hebt, dan zal ik je straffen." De soldaat zei: "Luitenant, ik ben zes dagen op patrouille geweest. Ik had geen bijbel of kerkboek, maar ik hoop u te kunnen overtuigen van de oprechtheid van m'n bedoelingen". En hij begon: "Kijk luitenant, als ik naar de aas van het spel kijk, dan weet ik dat er maar één God is, en de twee vertelt me dat de bijbel in twee delen verdeeld is, het oude en het nieuwe testament. Als ik de drie zie, dan denk ik aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De vier herinnert me aan de vier evangelisten die het Woord doorgeven, Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes. De vijf doet me denken aan de vijf wijze meisjes die hun lamp brandend houden. Zes, dat zijn de zes dagen waarin God de hemel en de aarde schept en de zeven herinnert me aan de zevende dag, de rustdag. De acht doet me denken aan de acht mensen die gered worden bij de zondvloed, en ook aan de achtste dag waarop Christus zijn leerlingen meeneemt de berg op van de verheerlijking. Bij de negen denk ik aan de melaatsen die onze Redder geneest maar die vergeten Hem te danken. Bij tien denk ik aan de tien woorden die Mozes ontvangt op de berg. Zie ik de koning, dan weet ik dat er slechts één grote Koning is. De vrouw herinnert me aan Maria,moeder van Jezus. De boer van het spel is de duivel. Ziet u luite-nant, m'n speelkaarten betekenen voor mij een hele bijbel."

J.M.W.

Een broedende kip moet je niet storen en datzelfde geldt daar-om in zekere zin ook voor de Heilige Geest; want de Geest, de adem van God broedt, zo lezen we in het eerste vers van de bijbel, op de wateren. En broeden is warmte geven. De Geest verwarmt de aarde al voordat het begint te lichten op de eerste dag. Altijd weer—want Gods schepping is niet een eenmalig iets van vroeger maar een voortgaand gebeuren: iedere week, iedere dag opnieuw vindt de Genesis, de wording van de door God beloofde aarde plaats—altijd weer zet de Geest zich in beginsel broedend op de woeste, zinloze, lege aarde en op zinloze, doelloze mensenlevens om daarin het (Paas)leven mogelijk te maken. Dus zingen de joden heel veelzeggend psalm 104 als vaste psalm op het wekenfeest zoals de oorspronkelijke naam van Pinksteren luidt. De liefhebbers kunnen over dat feest lezen in Leviticus 23 vanaf vers 15-- in dat gedeelte wordt ook de 50e dag genoemd (7 maal 7 dagen zijn immers vanaf Pasen geteld) die voor Lukas natuurlijk model zal staan in zijn beschrijving van het nieuwtestamentische Pinksterfeest (pinksteren is een telwoord en betekent gewoon de 50e) op de50e dag van Pasen. Psalm 104 is de psalm van de scheppende en broedende Geest: "de aarde is vol van uw schepselen, zij alle wachten op u. Zendt Gij uw Geest uit, zo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem "(Psalm 104, 24-30). Het beloofde land waar in de bijbel van verteld wordt is de proefpolder van die Geest, het land van melk en honing, het land waar vrede en recht als vruchten van dezelfde Geest groeien, ruisend als het graan. Intussen blijft de Geest voort-broeden, op weg naar het eindresultaat: "God zal op aarde komen met groene eeuwigheid": bomen die twaalf maanden vrucht geven en altijd groene bladeren hebben. Maar tot die tijd kunnen wij mensen de Geest ook bedroeven, in de weg zitten en storen bij het broeden op de nieuwe aarde. Wij kunnen Gods adem verstikken zodat de vruchten van de Geest: de liefde en de vreugde, de vrede
't allermeest, onvolgroeid blijven. Pinksteren betekent: ge zult een broedende Geest niet storen, Hem niet de adem bene-men. En daarom: kom Schepper Geest, blaas leven in ons, verwek het leven van Pasen in ons, fleurig en kleurig, broed iets van het visioen uit, ook in- en door ons leven, het visioen van het land waar het altijd lentetijd is, en waar al wat leeft tot volle bloei komt
(lied 753 van het nieuwe liedboek).
J.M.W.

Een romeinse jongen met de naam Patricius was 16 jaar oud toen hij in 400 na Christus werd ontvoerd door plunderaars en vervolgens in Ierland als slaaf verkocht. Zijn haat tegen de Ieren die hem hadden verhandeld wist hij te overwinnen en later werd hij de apostel van Christus van Ierland. Van deze Patricius, in het Engels werd dat natuurlijk Patrick, zijn de woorden afkomstig van de zegenbede die we onlangs bij de huwelijksbevestiging van het echtpaar Wessels-Snoei in de kerkdienst hebben gebruikt. Op verzoek van het bruidspaar heb ik, terwijl zij op de knielbank zaten, over hen die oude woorden uitgesproken van de zegen van St Patrick. Een aantal van u vroeg om de tekst, reden waarom ik in deze Binding het woord geef aan Jaap Zijlstra, dichter-dominee die ooit in het blad 'de Open Deur' schreef: " door een bloemknop te ontleden belet je haar te ontluiken. Door de zegen van Sint Patrick te ontrafelen beroof je jezelf van de zegen. Dus wat nu volgt is niet bedoeld als uitleg, nee, het is een toegift, waarin ik vertel wat deze zegen bij mij oproept":

De eeuwige God zij voor u om u de juiste weg te wijzen. Abraham, vader van alle gelovigen, is op weg gegaan, niet wetend waar hij komen zou. Hij ging letterlijk op de bonnefooi. Dat woord komt uit het Frans en betekent: op goed geloof. Abraham ging op goed geloof naar het land dat God hem wijzen zou. Ook wij zijn onderweg naar een land van belofte, en reizen op de bonnefooi.

De eeuwige God zij achter u om u in de armen te sluiten en te beschermen tegen gevaar. Je hebt geen ogen in je rug. Je bent kwetsbaar. In je zonnige leven kan het plotseling donker worden. Heer, als Gij uw handen op mijn ogen legt en ik niets weet te zeggen dan te zwijgen, wilt Gij het zelf zijn die uw Naam zegt dan valt het duister en gaat de dag stijgen.

De eeuwige God zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. Als kind klom ik in een boom. Ik keek naar beneden en werd bang. Mijn vader kwam onder boom staan en zei: spring maar. En ik sprong, in het vertrouwen dat mijn vader me op zou vangen. Geloven is ook een sprong. In twee Vaderarmen.

De eeuwige God zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. Op kernmomenten in mijn leven schonk God mij een vrede die mijn verstand te boven gaat.

De eeuwige God zij om u heen als een beschermende muur als anderen over u heen vallen. Er is niemand die in zijn leven niet een tijd meemaakt dat het pad niet over rozen gaat. Moge u dan God om u heen weten als een muur.

De eeuwige God zij boven u om u te zegenen: een gedicht van Nicolaas Beets begint zo: "de moerbeitoppen ruisten, God ging voorbij. Nee niet voorbij, Hij toefde, Hij wist wat ik behoefde en sprak tot mij." De hooggeleerde Beets heeft in kinderlijk geloof ervaren dat de eeuwige God ons te boven gaat en tegelijk heel nabij is,.

Zo zegene u God, vandaag morgen en tot in eeuwigheid. AMEN

J.M.W.

Op de groothuisbezoeken van afgelopen maand hebben we gesproken over de kracht van het lied en van muziek. We hoorden diverse voorbeelden van mensen die door een gezongen tekst of door een stuk muziek aangeraakt worden en hoe ze zich daardoor gedragen kunnen weten door vleugels van God zelf (gezang 910).
In deze weken voor Pasen wordt er heel wat afgezongen, vooral in de laatste week voordat het grote feest aanbreekt. Verschillende "Passionen" wordt uitgevoerd. Beroemde solisten zingen de ene na de andere aria. Koren reizen van stad tot stad om daar "de Matthäus" op te luisteren. Intussen zouden we het meest bijzondere haast vergeten: Christus zelf heeft in Zijn lijdensweek ook gezongen. Nee, niet als geoefend solist, niet begeleid door een groot koor en orkest. Niet in een grote kathedraal of een concertgebouw. Maar in een zaaltje in Jeruzalem. Hij zingt er samen met zijn leerlingen een paar psalmen. Het is, bij mijn weten, de enige keer dat er in de bijbel te lezen valt dat Jezus zingt. Je moet daar natuurlijk meteen aan toe voegen dat de evangelisten voortdurend door hun manier van schrijven benadrukken dat Christus zijn hele leven heeft geleefd vanuit de psalmen en er ook mee is gestorven. Tot aan zijn laatste adem blijven psalmwoorden Christus vergezellen en dragen Hem op vleugels, denk maar aan het "Vader, vergeef hun"...(psalm 141). "Mijn God, waarom..."(psalm 22), "Vader, in Uw handen..." (psalm 31). Maar nadat Hij met Zijn leerlingen het laatste Paasmaal gegeten heeft lezen we: "en toen zij de lofzang gezongen hadden vertrokken zij naar de Olijfberg"(Markus 14, vers 26). Die lofzang was- en is- een vast onderdeel van de liturgie van de pascha-viering, bestaande uit de psalm 113 tot en met 118. Deze liederen werden tijdens en na afloop van de maaltijd gezongen. Stel het u even voor: Jezus die brood en beker opheft en dan psalm 116 inzet: "banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk mij aangegrepen." Zijn stem zal toch even gestokt hebben, denk je dan. Even later klinkt psalm 117. Terwijl iedereen Hem de rug toekeert en ook zijn leerlingen Hem straks allemaal zullen verlaten zingt Hij al: Looft de Here, alle volken. En vlak voordat ze de nacht ingaan, met de worsteling in Gethsemane, het verraad en de veroorde-ling heel dichtbij, zegt Hij tegen zijn leerlingen: laten wij deze paasmaaltijd nu besluiten met psalm 118: "Ik zal niet sterven maar leven en de daden van de Here vertellen." Je zou denken: nee, dat vers nu maar niet. Nu past toch een andere psalm beter. "Uit de diepte roep ik tot u" bijvoorbeeld. Maar, zoals één van onze liedboekdichters, Willem Barnard, ooit zei: er zijn tijden dat je je geloof uit zingt, maar ook tijden dat je het in zingt, naar binnen zingt. Als wij dus bij een vers wat we zingen misschien wel eens aarzelen (nee, dit kan ik nu niet zingen, dat red ik niet).. dan zullen wij aan de zingende Jezus denken wiens lofzang ons doet zingen: "'k zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar in Hem verwacht." We houden de lofzang gaande, want Jezus zong voor ons en Jezus zong ons voor.

J.M.W.

Zoeken