Zoeken

Een romeinse jongen met de naam Patricius was 16 jaar oud toen hij in 400 na Christus werd ontvoerd door plunderaars en vervolgens in Ierland als slaaf verkocht. Zijn haat tegen de Ieren die hem hadden verhandeld wist hij te overwinnen en later werd hij de apostel van Christus van Ierland. Van deze Patricius, in het Engels werd dat natuurlijk Patrick, zijn de woorden afkomstig van de zegenbede die we onlangs bij de huwelijksbevestiging van het echtpaar Wessels-Snoei in de kerkdienst hebben gebruikt. Op verzoek van het bruidspaar heb ik, terwijl zij op de knielbank zaten, over hen die oude woorden uitgesproken van de zegen van St Patrick. Een aantal van u vroeg om de tekst, reden waarom ik in deze Binding het woord geef aan Jaap Zijlstra, dichter-dominee die ooit in het blad 'de Open Deur' schreef: " door een bloemknop te ontleden belet je haar te ontluiken. Door de zegen van Sint Patrick te ontrafelen beroof je jezelf van de zegen. Dus wat nu volgt is niet bedoeld als uitleg, nee, het is een toegift, waarin ik vertel wat deze zegen bij mij oproept":

De eeuwige God zij voor u om u de juiste weg te wijzen. Abraham, vader van alle gelovigen, is op weg gegaan, niet wetend waar hij komen zou. Hij ging letterlijk op de bonnefooi. Dat woord komt uit het Frans en betekent: op goed geloof. Abraham ging op goed geloof naar het land dat God hem wijzen zou. Ook wij zijn onderweg naar een land van belofte, en reizen op de bonnefooi.

De eeuwige God zij achter u om u in de armen te sluiten en te beschermen tegen gevaar. Je hebt geen ogen in je rug. Je bent kwetsbaar. In je zonnige leven kan het plotseling donker worden. Heer, als Gij uw handen op mijn ogen legt en ik niets weet te zeggen dan te zwijgen, wilt Gij het zelf zijn die uw Naam zegt dan valt het duister en gaat de dag stijgen.

De eeuwige God zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. Als kind klom ik in een boom. Ik keek naar beneden en werd bang. Mijn vader kwam onder boom staan en zei: spring maar. En ik sprong, in het vertrouwen dat mijn vader me op zou vangen. Geloven is ook een sprong. In twee Vaderarmen.

De eeuwige God zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. Op kernmomenten in mijn leven schonk God mij een vrede die mijn verstand te boven gaat.

De eeuwige God zij om u heen als een beschermende muur als anderen over u heen vallen. Er is niemand die in zijn leven niet een tijd meemaakt dat het pad niet over rozen gaat. Moge u dan God om u heen weten als een muur.

De eeuwige God zij boven u om u te zegenen: een gedicht van Nicolaas Beets begint zo: "de moerbeitoppen ruisten, God ging voorbij. Nee niet voorbij, Hij toefde, Hij wist wat ik behoefde en sprak tot mij." De hooggeleerde Beets heeft in kinderlijk geloof ervaren dat de eeuwige God ons te boven gaat en tegelijk heel nabij is,.

Zo zegene u God, vandaag morgen en tot in eeuwigheid. AMEN

J.M.W.

Op de groothuisbezoeken van afgelopen maand hebben we gesproken over de kracht van het lied en van muziek. We hoorden diverse voorbeelden van mensen die door een gezongen tekst of door een stuk muziek aangeraakt worden en hoe ze zich daardoor gedragen kunnen weten door vleugels van God zelf (gezang 910).
In deze weken voor Pasen wordt er heel wat afgezongen, vooral in de laatste week voordat het grote feest aanbreekt. Verschillende "Passionen" wordt uitgevoerd. Beroemde solisten zingen de ene na de andere aria. Koren reizen van stad tot stad om daar "de Matthäus" op te luisteren. Intussen zouden we het meest bijzondere haast vergeten: Christus zelf heeft in Zijn lijdensweek ook gezongen. Nee, niet als geoefend solist, niet begeleid door een groot koor en orkest. Niet in een grote kathedraal of een concertgebouw. Maar in een zaaltje in Jeruzalem. Hij zingt er samen met zijn leerlingen een paar psalmen. Het is, bij mijn weten, de enige keer dat er in de bijbel te lezen valt dat Jezus zingt. Je moet daar natuurlijk meteen aan toe voegen dat de evangelisten voortdurend door hun manier van schrijven benadrukken dat Christus zijn hele leven heeft geleefd vanuit de psalmen en er ook mee is gestorven. Tot aan zijn laatste adem blijven psalmwoorden Christus vergezellen en dragen Hem op vleugels, denk maar aan het "Vader, vergeef hun"...(psalm 141). "Mijn God, waarom..."(psalm 22), "Vader, in Uw handen..." (psalm 31). Maar nadat Hij met Zijn leerlingen het laatste Paasmaal gegeten heeft lezen we: "en toen zij de lofzang gezongen hadden vertrokken zij naar de Olijfberg"(Markus 14, vers 26). Die lofzang was- en is- een vast onderdeel van de liturgie van de pascha-viering, bestaande uit de psalm 113 tot en met 118. Deze liederen werden tijdens en na afloop van de maaltijd gezongen. Stel het u even voor: Jezus die brood en beker opheft en dan psalm 116 inzet: "banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk mij aangegrepen." Zijn stem zal toch even gestokt hebben, denk je dan. Even later klinkt psalm 117. Terwijl iedereen Hem de rug toekeert en ook zijn leerlingen Hem straks allemaal zullen verlaten zingt Hij al: Looft de Here, alle volken. En vlak voordat ze de nacht ingaan, met de worsteling in Gethsemane, het verraad en de veroorde-ling heel dichtbij, zegt Hij tegen zijn leerlingen: laten wij deze paasmaaltijd nu besluiten met psalm 118: "Ik zal niet sterven maar leven en de daden van de Here vertellen." Je zou denken: nee, dat vers nu maar niet. Nu past toch een andere psalm beter. "Uit de diepte roep ik tot u" bijvoorbeeld. Maar, zoals één van onze liedboekdichters, Willem Barnard, ooit zei: er zijn tijden dat je je geloof uit zingt, maar ook tijden dat je het in zingt, naar binnen zingt. Als wij dus bij een vers wat we zingen misschien wel eens aarzelen (nee, dit kan ik nu niet zingen, dat red ik niet).. dan zullen wij aan de zingende Jezus denken wiens lofzang ons doet zingen: "'k zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar in Hem verwacht." We houden de lofzang gaande, want Jezus zong voor ons en Jezus zong ons voor.

J.M.W.

Twee schepen, zo vertelt een oud verhaal, zeilen over zee: het ene verlaat de haven, het andere loopt juist de haven binnen. Een feestgezelschap neemt vrolijk afscheid van de vertrekkende reizigers en begeleidt het schip dat begint aan zijn reis over zee met applaus en gejuich. Niemand schenkt aandacht aan het schip dat de haven binnenvaart. Een wijs en verstandig man die het tafereel heeft gadegeslagen zegt tegen degene die naast hem zit op een bankje aan de kade: "dit hier is de omgekeerde wereld: er wordt feest gevierd voor degenen die vertrekken, maar de mensen die terugkeren worden met onverschilligheid ontvangen. Arme dwazen! Vier liever feest vanwege het schip dat de reis behouden heeft voltooid en gered is uit de gevaren waaraan het blootgesteld is op zee; en hou je hart vast om het schip dat afvaart en de stormen en gevaren van de zee tegemoet zeilt."
Dat is, zo gaat het oude verhaal verder, zoals het dikwijls gaat onder de mensen: als er iemand geboren wordt, wordt er feest gevierd , en als iemand sterft wordt er getreurd. Maar zouden ze, als er iemand geboren wordt niet beter de Here God kunnen bidden om een behouden vaart in zijn of haar leven, want niemand weet of hij tegen de gevaren en bedreigingen van het leven bestand is. En zouden ze niet beter de Here God kunnen danken als er iemand na een voltooide levensreis sterft die een goede naam achterlaat?
Bij je geboorte, zo vatte de wijze man zijn gedachten samen, was jij de enige die huilde- alle anderen waren blij. Leef op zo'n manier dat het bij je sterven andersom is.
J.M.W.

Een leraar vertelde zijn klas met geschiedenisles over wat mensen in vroeger tijden als de zeven wereldwonderen beschouwden: het beeld van de Griekse oppergod Zeus in Olympia, de vuurtoren van Pharos bij Alexandrië, de hangende tuinen van Babylon, de Kolossus van Rhodos, het mausoleum van Halicarnassus in Klein Azie, de tempel van Artemis in Efese en tenslotte (de enige die inmiddels niet aan de tand van de tijd ten prooi is gevallen) de piramide van Cheops bij Cairo.

Vervolgens vroeg hij aan zijn leerlingen: "wat zijn volgens jullie nu de zeven wereldwonderen?" Na enige onderlinge discussie werden diverse antwoorden geroepen waaruit een keuze gemaakt zou moeten gaan worden: de Eiffeltoren in Parijs, het Colosseum in Rome, de Chinese muur, de stenen van Stonehenge in Engeland, de Taj Mahal in India, de scheve toren van Pisa, het Panama-kanaal, de rotswoningen in Petra, de Acropolis in Athene, de Niagara watervallen en zo werden er nog een aantal beroemde gebouwen en wonderen van de natuur genoemd. Terwijl de leraar nog bezig was om alle antwoorden op te schrijven zag hij uit zijn ooghoek dat één leerling nog niet klaar was met de lijst.

"Vind je het moeilijk om een lijstje te maken?" "Ja, nogal meneer", zei ze; "het zijn er zoveel dat ik moeilijk een keuze kan maken." " Zeg maar wat je al hebt", zei de leraar, "misschien kunnen we je helpen." Het meisje aarzelde even maar las toen voor: ik denk dat de zeven wereldwonderen zijn:

te kunnen zien,
te kunnen horen,
te kunnen aanraken,
te kunnen voelen,
te kunnen lachen ,
te kunnen huilen
en te kunnen liefhebben."

Het werd heel stil in het lokaal.
J.M.W.

Het zal even wennen zijn op kerstmorgen. Ik bedoel: als we het kerstevangelie van Lukas uit de nieuwe Bijbelvertaling (die we de laatste maanden standaard gebruiken) geprojecteerd zullen zien worden op de beamer. Want twee vertrouwde woorden zullen dan niet te zien en te horen zijn, de woorden 'herberg' en 'kribbe'. In plaats daarvan zien en horen we het volgende: "Maria... legde Hem in een voederbak omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad."
Aan de ene kant vind ik het jammer; de vertaling van 1951 en al helemaal de Statenvertaling klonken veel poëtischer (de nieu-we vertaling klinkt soms als de taal van een krant of tijdschrift en ik denk dan bij mezelf: mogen we alsjeblieft nog horen dat het hier om een bijzonder Boek gaat, dat we hier maar niet wat informatie aan het voorlezen zijn? De taal van het geloof moet je vergelijken met poëzie. En geloven leeft ook van het herhaalde ritueel, er komt een heleboel aan gevoel mee met die oude woorden (in de zangdienst op kerstavond lezen we om dat 'oud vertrouwen te voeden' daarom wel de oude vertaling). Maar aan de andere kant zeg ik: prima. Want die oude woorden herberg en kribbe klinken dan wel vertrouwd, maar je moet uitkijken dat het niet alleen bij buitenkant blijft. Niet dat de buitenkant onbelangrijk is, maar met kerst is er toch al zoveel aandacht voor de buitenkant en de vorm. Terwijl het toch uiteindelijk om de inhoud gaat. De kern van Kerst is niet de kribbe (of voederbak) maar Wie er in lag: de geboren Herder voor deze wereld.
De apostel Paulus gaf zijn eigen versie van Kerst (en zijn versie is per slot van rekening verreweg de oudste en werd al zo'n 30 jaar voordat Lukas zijn evangelie schreef op papier gezet): "Christus, die de gestalte van God had, hield aan zijn gelijkheid aan God niet vast maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte van een dienaar aan en werd gelijk aan een mens (Filippenzenbrief, hoofdstuk 2). Kerstfeest begon dus met de houding van afstand doen, met niet krampachtig vasthouden aan een bepaalde toestand. Dan mogen wij af en toe wel eens afstand doen van bepaalde woorden, ook al zijn ze oud en vertrouwd. En daarbij: hoe belangrijk rituelen ook zijn, het evangelie zelf doorbreekt regelmatig situaties die ons vertrouwd zijn. Denk in het kerstevangelie maar aan de reactie van de herders op de aankondiging van de geboorte: ze vrezen met grote vreze (om toch de oude woorden nog maar even aan te houden!).
Maar als ik eerlijk ben, ben ik toch wel blij dat we de kribbe en de herberg niet helemaal zullen verliezen. We blijven ze tegenkomen in de kerstliederen die ik niet graag zou willen missen met teksten als: ik kniel aan Uwe kribbe neer, of 'voor Hem was geen plaats meer in herberg of huis. Dat geeft je het gevoel dat je zingt met de kerk van alle tijden (ik zet die twee liederen dit jaar dus in elk geval op kerstmorgen op het programma, dat begrijpt u). Hoe het ook zij, mét of zónder herberg en kribbe, ik wens u en jullie een gezegend kerstfeest.

J.M.W.